Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0985

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707074/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij brief van 3 oktober 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2007, hebben [appellanten] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een op 16 december 2006 door [vergunninghouder] ingediende aanvraag voor een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) naar aanleiding van deze aanvraag aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend. Dit besluit is op 4 oktober 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200707074/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Oss, verweerder. 1. Procesverloop Bij brief van 3 oktober 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2007, hebben [appellanten] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een op 16 december 2006 door [vergunninghouder] ingediende aanvraag voor een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) naar aanleiding van deze aanvraag aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend. Dit besluit is op 4 oktober 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2007, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2008, waar [appellanten] bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Weers, en het college, vertegenwoordigd door J.J.A.M. Wingens en H.T.H. van Aanholt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman en [gemachtigde], als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Uit artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat het beroep dat tegen het uitblijven van een tijdig besluit is ingesteld, van rechtswege wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit van 2 oktober 2007. Het tegen het bestreden besluit ingediende beroepschrift wordt daarom aangemerkt als een nadere motivering van het beroep. 2.2. [appellanten] voeren aan dat het college ten onrechte niet binnen de daartoe gestelde termijn op de aanvraag heeft beslist. 2.2.1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2.2.2. Tegen het uitblijven van een besluit als hier aan de orde staat ingevolge de hierboven vermelde artikelen alleen beroep open voor belanghebbenden. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 13 juni 2001, in zaak nr. 200100193/2 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat anderen dan de aanvrager geen belanghebbenden zijn bij het uitblijven van een dergelijk besluit. [appellanten] zijn geen aanvrager van de milieuvergunning en dus niet aan te merken als belanghebbenden bij het uitblijven van een tijdig besluit op de aanvraag. Het ingestelde beroep tegen dit uitblijven is niet-ontvankelijk. 2.3. [appellanten] voeren aan dat bij de beoordeling van het bestreden besluit van een onjuiste situatietekening is uitgegaan. Uit het bestreden besluit blijkt dat de op de tekening aangeduide mestopslag alsnog is komen te vervallen. Dit wijst er volgens hen op dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. 2.3.1. Het college stelt dat in de bij de aanvraag gevoegde tekening per abuis de mestopslag van stal 1 is blijven staan. De aanvrager heeft deze omissie gecorrigeerd in de op 25 september 2007 ingekomen tekening. 2.3.2. De Afdeling overweegt dat uit de stukken blijkt dat bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van het in de aanvraag omschreven situatie en niet van de daarbij gevoegde foutieve tekening. [appellanten] zijn daarom door het abusievelijk bijvoegen van een foutieve tekening niet benadeeld. Het beroep treft in zoverre geen doel. 2.4. [appellanten] voeren aan dat het college ten aanzien van het milieuaspect geur een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. Het college is er volgens hen ten onrechte van uitgegaan dat de vergunningaanvraag dateert van vóór 1 januari 2007. Omdat de aanvraag op 10 mei en 8 juni 2007 is gewijzigd dient volgens hen de aanvraag aan de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij te worden getoetst. 2.4.1. Het college voert aan dat de wijzigingen en aanvullingen van de aanvraag niet hebben geleid tot een nieuwe aanvraag, omdat ze gering van omvang zijn, niet tot een andere inrichting leiden en nauwelijks grotere nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Volgens het college dient er dan ook van te worden uitgegaan dat de aanvraag op 16 december 2006 is ingediend, zodat zij getoetst moest worden aan het toetsingskader zoals dat voor de inwerkingtreding van deze wet gold. 2.4.2. Artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij bepaalt dat indien een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing blijft tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. De aanvraag is ingediend op 16 december 2006. De wijzigingen die op 10 mei en 8 juni 2007 zijn ingediend houden geen wezenlijke wijziging van de aanvraag in. Die wijzigingen hebben derhalve niet tot een nieuwe aanvraag geleid. Gelet op het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij heeft het college deze wet terecht niet van toepassing geacht. Deze beroepsgrond faalt. 2.5. [appellanten] voeren aan dat het bestreden besluit een ontoelaatbare en ernstige toename van de geurhinder tot gevolg zal hebben die groter is dan door het college wordt verondersteld. Zij stellen hierbij dat bij de bepaling van de geurhinder ten onrechte met de in de vigerende vergunning opgenomen nokventilatoren is gerekend en niet met de in werkelijkheid aanwezige lengteventilatoren. Volgens hen zijn daardoor de door het college gehanteerde afstanden onjuist. 2.5.1. Het college heeft de aanvraag voor zover het de geurhinder betreft, getoetst aan de richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 en aan de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 voor zover het de categorie-indeling van de omgeving betreft. Het college stelt dat het aantal mestvarkeneenheden ten opzichte van de geldende vergunning toeneemt met 111,1. De gevraagde dieraantallen en het daarmee samenhangende aantal mestvarkeneenheden leveren volgens het college geen overschrijding op van de uit genoemde richtlijn en brochure af te leiden en aan te houden minimale afstanden tot de omliggende geurgevoelige objecten. 2.5.2. De Afdeling stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het bestreden besluit niet tot overschrijding van de uit de richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 voortvloeiende minimale afstanden tot de omliggende geurgevoelige objecten leidt. Reeds hierom heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende bescherming tegen stankhinder wordt geboden. Deze beroepsgrond faalt. 2.6. [appellanten] voeren aan dat het college de cumulatieve stankhinder gelet op de jurisprudentie onjuist heeft beoordeeld door er ten onrechte van uit te gaan dat er buiten de grenzen van de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek geen berekeningen nodig zijn. Er dient bezien te worden of er geen sprake is van niet te verwaarlozen relatieve bijdragen. 2.6.1. Het college stelt dat de beoordeling van de aanvraag voor zover het de cumulatie van geurhinder van de omliggende veehouderijen betreft is geschied op basis van het Rapport nr. 46 uit de publicatiereeks Lucht 1985. 2.6.2. De Afdeling stelt vast dat uit hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd niet voortvloeit dat het college gehouden was in afwijking van voormeld Rapport nr. 46 uit de publicatiereeks Lucht 1985 mede acht te slaan op eventuele gevolgen buiten de geëxtrapoleerde afstandsgrafiek. Deze beroepsgrond treft geen doel. 2.7. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. 2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van [vergunninghouder]; II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Klap voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 315.